Tekst Frank Borne 2011

Kaleidoscopische horror

Inleiding bij een expositie van Maarten van der Heijden

door Frank Reijnders

Laat ik mijn inleiding op het werk van Maarten van der Heijden beginnen met een citaat van Susan Sontag uit On Photography over de foto’s van opgestapelde lijken die de geallieerden in 1945 maakten bij de bevrijding van de concentratiekampen. Een citaat dat ook is te vinden op de website van Maarten:

Nothing I have seen – in photography or in real life – ever cut me as sharply, deeply, instantaneously. Indeed, it seem plausible to me to divide my life into two parts, before I saw those photographs (I was twelve) and after … When I looked at those photographs, something broke. Some limit had been reached, and not only that of horror; I felt irrevocably grieved, wounded, but part of my feelings started to tighten; something went dead; something is still crying

Susan Sontag was twaalf toen ze de foto’s voor het eerst onder ogen kreeg – dat was in haar geval meteen al in 1945. De schok betrof niet alleen het feitelijk bestaan van de vernietigingskampen, maar ook de kracht van onverschilligheid die eigen is aan de fotografische registratie. Fotografie is de weergave van de wereld in onze afwezigheid. De wereld spant samen met de lens.

Zelf moet ik deze foto’s voor het eerst hebben gezien toen ik een jaar of twaalf was, eind jaren vijftig. Ik schat dat iets dergelijks geldt voor Maarten. Maarten en ik hebben bij elkaar in de klas gezeten op de middelbare school. We voerden vele interessante gesprekken, ook over de oorlog die toen nog niet zo lang geleden voorbij was. Maar over die foto’s hebben we het nooit gehad.  Ik zou het ook niet hebben gedurfd, want ik besefte van meet af aan dat deze voor hem een andere emotionele lading moeten hebben gehad, gezien zijn achtergrond.

Ook mij schokten de foto’s uiteraard, maar zo’n twintig jaar later kreeg ik nog een heftige naschok.  Toen ik voor het eerst de foto’s zag die Lee Miller had gemaakt van deze ‘piles of corpses’. Miller was meegereisd met de geallieerden om de opening van de concentratiekampen in Dachau en Buchenwald te fotograferen. De naschok betrof het feit dat haar foto’s een hoog artistiek gehalte hadden. Niet de onverschilligheid van de lens stond voorop, maar de esthetische werking van het fotografische beeld. Haar close-ups van lichaamsfragmenten dwongen je de foto’s nauwkeurig te bekijken, waardoor de ongemakkelijkheid van het beeld nog werd versterkt. Haar foto’s waren niet alleen realistisch. Men kon ze ook appreciëren binnen het kader van de surrealistische esthetiek, waarvan Millers andere foto’s uit die tijd zijn doortrokken. Ze zijn van een beauté convulsive.

Onmiddellijk schoot bij mij de beroemde uitspraak van de Duitse filosoof Adorno in gedachten: ‘nach Auschwitz ein Gedicht zu schreiben, ist barbarisch’.  Volgens Adorno was het onmogelijk om de genocide van de Europese Joden op een poëtische of esthetische wijze voorstelbaar te maken. Alleen een documentaire benadering was toegestaan. Kunstzinnige foto’s zoals Lee Miller had vervaardigd, moeten in zijn ogen taboe zijn geweest. Toch past Adorno’s uitspraak ook in een esthetische traditie die hij bovendien al in de jaren dertig, nog  voor het uitbreken van de oorlog, had geformuleerd. Volgens hem bestond de kracht van de moderne kunst in de twintigste eeuw in haar onbuigzaam negatief ascetisme. Hij zag dit met name belichaamd in de muziek van Arnold Schönberg. In diens atonale en dodecafonische muziek zou zijn  vorm gegeven aan een existentiële angst en ontzetting. Hierdoor werd inzicht geboden in de catastrofale toestand waarin de samenleving zich op dat moment bevond. Precies langs deze weg van negatie was het mogelijk om weerstand te bieden aan onze hang naar esthetisering en schone schijn.

In de digitale prints van Maarten, in de ‘weefsels’ en de ‘grotesken’ bijvoorbeeld, wordt de horror van de genocide op een indirecte manier zichtbaar gemaakt. Er wordt zowel recht gedaan aan Adorno’s gedachte dat deze gebeurtenis te veelomvattend is om voor te stellen, als aan de verleiding om ‘het onvoorstelbare’ in een esthetisch beeld te vatten. Veel werk lijkt op het eerste gezicht abstract en slechts te bestaan uit decoratieve patronen die elkaar op alle mogelijke manieren symmetrisch spiegelen. Maar wie inzoomt op de details wordt plotseling geconfronteerd met de angstaanjagende beelden van de lijken.

Ik denk dat Maarten niet toevallig gebruik maakt van deze filmische techniek van ‘inzoomen’. Het geeft hem namelijk de mogelijkheid om een tijdsdimensie aan te brengen in de wijze van ervaren: enerzijds  worden de beelden aan het oog onttrokken en het vergeten gecultiveerd, anderzijds worden ze plotseling zichtbaar en wordt de herinnering geactiveerd. Evenmin is het om deze reden toevallig dat Maarten gebruik maakt van die andere filmische techniek van ‘montage’. Dit geeft hem de mogelijkheid om verschillende momenten van horror uit de geschiedenis en de kunstgeschiedenis in hetzelfde beeld met elkaar te confronteren.

Het lijkt niet alleen te gaan om in zichzelf besloten beelden, maar ook om het  proces van reflectie dat door deze beelden in werking wordt gezet. In die zin is Maartens werk conceptueel en gekoppeld aan een vraag: hoe kan artistiek vorm worden gegeven aan onze confrontatie met een diversiteit aan beschikbare beeldfragmenten en feitelijke reportages die de Holocaust betreffen. Hoe kan voorkomen worden dat de herinnering aan de genocide afsterft. Het is onvoldoende om deze gruwelijke gebeurtenis te fixeren in de tijd. Maartens kaleidoscopische beeldstrategie nodigt juist uit om te bewegen in de tijd. Beurtelings naar het verleden en naar de toekomst.

Ik wil mijn inleiding besluiten met een parafrase van een zinsnede uit Le Différend van de Franse filosoof Jean François Lyotard, die ik tegen ben gekomen in de afstudeerscriptie van Maarten, De Shoa Subliem sublimeren? Een scriptie die een theoretische onderbouwing beoogt van het beeldende werk.

Om recht te doen aan de Holocaust dient men deze gebeurtenis op zo’n manier te presenteren dat deze open blijft voor toekomstige bepaling. Dit om te voorkomen dat het idee postvat dat men de geschiedenis heeft begrepen en dus heeft geconsumeerd als een vorm van kennis. Deze uitdaging wordt in het werk van Maarten serieus genomen.

Frank Reijnders, 5-5-2011 (uitgesproken op 8 mei 2011 in de Bornse Synagoge)