Tekst Tamarah Borne 2011

Over het werk van Maarten van der Heijden

 

door Tamarah Benima

 

Slechts een enkele keer was ik van kunst zodanig van mijn stuk dat ik begon te huilen in de tentoonstellingszaal. Het was in het Gemeentemuseum in Den Haag, jaren geleden. Ik kocht twee identieke catalogi, een gebonden en een ongebonden exemplaar, vastbesloten het ongebonden exemplaar te verknippen en de beelden in mijn woning te hangen. De schilderijen van Francis Bacon sloegen met een dreun naar binnen. Hij schildert, zei een vriendin die dezelfde ervaring had als ik, wat onder de huid zit. Niets heeft een huid.”  Overigens was het niet het beeld van een mens, maar van een chimpansee dat mij volledig uit mijn evenwicht haalde en de tranen over mijn gezicht deed stromen. Bacon haalde ieder verdedigingsmechanisme weg. Er was geen ontkomen aan de pijn en de verschrikking, de wanhoop en de opgeslotenheid van het bestaan. Mens en dier zijn beiden gekooid. Door anderen, en daarna, uit loyaliteit en liefde, uit angst voor eenzaamheid en voor verlies, uiteindelijk door zichzelf.


Voor mij was het tot huilen toe geraakt worden een eenmalige ervaring. Maar goedbeschouwd is het een van de taken van Europese schilders, in de laatste zeven, acht eeuwen, om juist die klap uit te delen. Met het lijdensverhaal van Jezus. Door en in mijn joodse opvoeding ben ik immun geworden voor dat lijden. De emoties die worden opgeroepen door de Mattheus Passion laat ik wel toe, maar het totale effect houd ik verre van mij. En dat deed ik ook toen ik voor het eerst het Louvre bezocht en zaal na zaal, de ene wand na de andere vol met schilderijen van de lijdende Jezus bekeek, aan het kruis, van het kruis gehaald, nog levend, net niet dood, wel al dood, bloedend, verwond, naakt, niet helemaal naakt. Het was een gruwelkabinet en ik begreep niet wat mensen in hemelsnaam met die beelden wilden. Logisch, het lijden van Jezus is niet mijn geschiedenis, het maakt geen deel uit van mijn religieuze mythologie. Zelfs mijn van oorsprong christelijke oma en christelijke overgrootouders maken wat dat betreft geen verschil.


Bacon staat, in ieder geval om dit aspect en effect, in de traditie van de Europese schilderkunst. Het is geen wonder dat een pregnant onderdeel dat vaak in zijn schilderijen terugkomt, een soort hondenkop is, een ornament dat wordt aangetroffen op kathedralen. Heeft de verbeelding van het lijden van Jezus  de compassie van de kerkgangers, de gelovigen die met deze beelden opgroeiden, vergroot. En zo ja, gold die vergrote compassie alle mensen, of alleen de eigen groep? De eigen geloofsgenoten? Het is hier niet de plaats om een antwoord op die vraag te zoeken.


Maarten van der Heijden heeft een ander lijden een beeldende vorm gegeven, in de letterlijke zin van het woord. Door zijn onderwerpkeuze staat hij, paradoxaal genoeg in de christelijk-Westerse kunsttraditie, niet in de joodse. Er is namelijk geen Joodse kunsttraditie. De laatste eeuwen beginnen Joden wel te schilderen, en in de negentiende en twintigste eeuw zijn er een fix aantal die topschilders bleken te zijn, Liebermann, Pisarro, Jozef en Isaac Israels, Soutine, Chagall, Modigliani, Lizzitsky, Rothko, Rauschenberg, Kadisman, Barnett Newman, Christian Boltanski, Anish Kapoor, enzovoorts, enzovoorts, maar een Joodse kunsttraditie met een onmiddellijk herkenbaar ‘Joods’ handschrift is er niet. Het Tweede van de Tien Geboden zet een fikse rem op het afbeelden van alles wat maar enigszins tot afgod zou kunnen worden gemaakt, mens, dier, boom. Niet dat er door Joden in 3500 jaar geen kunst is gemaakt; dat is wel degelijk gebeurd, ook zelfs in het verre verleden, maar beeldcultuur is in het Jodendom toch min of meer getaboeïseerd. Religieuze gebruiksvoorwerpen worden versierd, soms op topniveau, maar we kunnen geen Louvre volhangen met Joodse kunst uit vroeger tijden, en als we de synagogen zouden openstellen, zouden kunsttoeristen daar niet veel meer aantreffen dan de obligate Davidsster, een paar geborduurde voorhangen voor de Torakast, en flink veel zilver. Geen Rembranteske stripverhalen over Mosje in het biezenmandje aan de muur, geen Joodse Jeroen Bosch die de Vernietiging van de Tempel op het canvas heeft gebracht, geen Goya die pogroms heeft geschilderd – in de synagogen en de batei midrasj (leerhuizen) is de tekst oppermachtig. De tekst, en alleen de tekst.


En toen waren er opeens de beelden. Jeroen Bosch in het honderdvoudige, Goya in het honderdvoudige. Beelden, niet geschilderd, maar gefotografeerd. Niet van één lijk, Jezus, de goeie joodse jongen, maar van bergen met lijken, Joden, met alle kwalificaties die er maar zijn, maar gestript van alles wat hen tot mens maakte. Beelden niet van één moeder, Maria, treurend om haar dode zoon, maar van bergen met moeders, zelf dood, onherkenbaar als moeder en mens, losgemaakt van hun kinderen, weggegeven of ook dood.Het zijn geen foto’s die wij hebben gemaakt, ze zijn van ‘ons’ gemaakt, van andere Joden. De foto’s onderstrepen de wijsheid van het Tweede Gebod. Teksten kun je interpretren, je kunt ze buigen naar hoe je ze nodig hebt, hun interpretatie vergroot het bewustzijn en het vergrote bewustzijn geeft een nieuwe impuls aan hun interpretatie. Foto’s, zeker deze foto’s, laten nauwelijks interpretatie toe. Misschien omdat fotografie nog zo kort bestaat; misschien moet de kunst om foto’s te interpreteren zich nog ontwikkelen. Maar vooralsnog zijn foto’s ‘gesloten’ in vergelijking met teksten. De foto’s van de bergen met lijken zijn ook onontkoombaar. Met alleen de verhalen over wat er is gebeurd in de vernietigingskampen zouden de overlevenden het niet gered hebben bij het vertellen van het verhaal. Sterker nog, waar zij wellicht wilden zwijgen omdat zij niet tot iets anders in staat waren dan te zwijgen, werden zij door de foto’s gedwongen te spreken. Was je er bij? Heb je het gezien? Wat heb je gezien? Wat is er met jou gebeurd? Hoe heb je overleefd? Wat is er met de anderen gebeurd? Wie waren de anderen?


Ik kan me niet herinneren wanneer ik de foto’s voor het eerst heb gezien. Wel wanneer de verhalen kwamen. Ik was zes toen ik wist van de Grote Vernietiging. Het effect van de foto’s kan lang op zich laten wachten. Ook het effect vernieuwt zich. In november was ik in Majdanek. Een bizarre plek, als een oneindig uitgestrekt voetbalveld, dicht bij de stad Krakau. Rondom staan nieuwe flatgebouwen. Als mensen op hun balkon genieten van de zon of de zonsondergang, en van de bomen in de verte, kijken ze tegelijkertijd uit op dit veld des doods. In een van de barakken weer zo’n foto: een foto van een berg lijken. Ik viel uit elkaar toen het tot me doordrong: ‘Zozeer word ik, Jodin, gehaat.’ De maat van de Jodenhaat, eeuwen oud, eeuwen gevoed, onuitroeibaarder dan de Joden zelf, werd zichtbaar, werd voelbaar, werd inzichtelijk aan dit beeld. Dit is mijn geschiedenis, dit is mijn mythologie, zo u wilt, dit is Maartens geschiedenis, dit is zijn mythologie, zo u wilt, dit is ons erfdeel, het is niet het enige dat wij hebben geërfd, er is oneindig veel meer, maar dit hebben we in ieder geval geërfd, hier moeten we in ieder geval iets mee doen, hiertoe moeten wij ons in ieder geval verhouden.


Totdat ik nadacht over wat ik hier zou gaan zeggen, dacht ik dat het ieders erfdeel is, het erfdeel van iedere Europeaan, iedere Westerling. Maar het lijkt erop dat dat niet waar is. Het lijkt erop dat de illusie van gemeenschappelijke erfgoed ons alleen door goedwillenden, door invoelenden, door beschaafden als troost is toegeworpen. Men moest toch iets. Men kon toch niet meteen toestaan dat de mindergoedwillende, de minder invoelende, de minder beschaafde zijn ongeduld en desinteresse, zijn ergernis en zand-erover zou tonen. “De Holocaust een detail in de geschiedenis.” Zo ver is het nog niet.


Hoe het zij: de beelden zijn er, er moet iets mee worden gedaan, de realiteit is er, er moet iets mee worden gedaan. Met de manier waarop Maarten dat ‘iets’ heeft gedaan, heeft hij zich midden in de Joodse traditie geplaatst. Onze vijanden maken Joden nogal eens het verwijt dat wij ons wentelen in zelfmedelijden. Met de manier waarop Maarten het heeft aangepakt, kunnen onze vijanden met dat verwijt niet aankomen. Maarten heeft de beelden van de Sjoa gedeconstrueerd, en er een nieuw beeld mee opgebouwd, een kleurrijk, mooi, intrigerend beeld, niet zoetsappig, zijn beelden scheren wel langs de rand van het decoratieve, maar alleen mooi en kleurrijk, nee, dat zijn ze niet. Waarom stel ik dat hij door zijn manier van plaatsbepaling zich in de Joodse traditie plaatst? Als reactie op de ballingschap in Babylonië en het verlies van de Eerste Tempel werd literatuur gemaakt; menig boek uit Tanach, de bijbel, vond in de reactie op die catastrofes zijn oorsprong. Als reactie op de vernietiging van de Tweede Tempel in het jaar 70 en op het uiteindelijke verlies van de soevereine joodse staat, ontstond het rabbijnse Jodendom, het Jodendom zoals wij dat nu kennen. De katholieken namen de brokstukken van het Tempeljodendom, herstelden de hierarchie, stopten hun spirituele leiders in de kledij van de hogepriester, haalden de wierook weer van stal, installeerden het altaar, vormden Jezus om tot het lam dat als ultiem offer werd gebracht, en maakte de vergiffenis voor alles, en de verzoening voor iedereen tot het hart van zijn religieuze ideologie en wereldlijke macht. De protestanten gooiden die oude brokstukken weg, peuterden de ethiek uit het bijbelse Jodendom los en maakten het geweten tot het alles afdwingende instantie. Het rabbijnse Jodendom deed alsof zijn neus bloedde, en begon op nieuw; in de kledij, de wierook, het altaar, het offer, en het grote gebaar was het niet geïnteresseerd. En ook niet in het freewheelende geweten, een geweten losgezongen van concrete godgegeven plichten. Het koos voor een spiritualiteit verankerd in het dagelijkse leven. Voedsel, seks, kinderen, werk, rust, kletsen en discussies, grappen en irrationele rituelen, geouwehoer op laag en  op zeer hoog niveau, het koos vooral ook voor leven hier op aarde; het droomde wel over de messiaanse tijd, maar dat was toch vooral voor later, voor veel, veel later. Die droom over veel later is in de Sjoa verpletterd. En van het aardse leven van Joden is ook niet veel meer over, simpelweg omdat er nog zo weinig Joden over zijn, in Europa. Maar de wil om te leven, is ongebroken.

 

Het werk van Maarten getuigt van die ongebroken wil om te leven. Met de shit wordt iets betekenisvols gemaakt. Van het onverdraaglijke iets verdraaglijks. Van de Ordnung des Todes de orde van de joodse kunstenaar. Chagall hing al vóór de Tweede Wereldoorlog, al vóór de Sjoa de jood aan het kruis, of, anders gezegd, de man aan het kruis kreeg een talliet, een gebedsmantel, en tefillin, de leren banden die worden omgelegd met het ochtendgebed. Als op al die schilderijen in het Louvre, de talloze andere musea, het oneindige aantal kerken Jezus niet alleen een lendendoek en een doornenkroon had gedragen, maar als de schilders tenminste zijn talliet hadden geschilderd, wat was dan de loop van de geschiedenis geweest? Deze retorische vraag, waarop overigens geen antwoord is, geeft aan hoe groot de verantwoordelijkheid is van de kunstenaar voor het verbeelden van het lijden. Maarten van der Heijden heeft zijn verantwoordelijkheid genomen door het Joodse lijden een kunstzinnige vorm te geven, die de toeschouwer niet met een klap tussen de ogen treft, een vorm die, denk ik, niemand in tranen doet uitbarsten, maar die wel, geserreerd, de vragen doet stellen die gesteld moeten worden. En die, op een bijna ‘opgewekte’ wijze,  verklaart: Het is geweest, het is er nog steeds, het is niet weg, het zal altijd blijven, maar we gaan verder.

 

Dat Maarten dat voor elkaar heeft gekregen, is knap. Echt knap. Een mazzel tov waard. Dus, Maarten, mazzal tov!


© Tamarah Benima (uitgesproken op 8 mei 2011 in de Bornse Synagoge)